← Inhoudsopgave

Onregelmatige werkwoorden · leerlijst

Vertaal de vorm — onregelmatig

  1. 1Leerlijst
  2. 2Oefenen
  3. 3Toets

Bij être, avoir, faire, vouloir en aller helpt geen regel: je moet de rijtjes kennen. Kijk in een zin eerst naar de tijd (présent of passé composé) en dan naar het onderwerp — ook als dat een naam is (Marie = elle, les enfants = ils).

Hieronder staan alle vormen op een rij, zodat je ze naast de oefening kunt leggen.

Vorm présent: eigen rijtjes · passé composé: avoir + été / eu / fait / voulu, aller met être + allé(e)(s)

Présent

  • être: suis · es · est · sommes · êtes · sont
  • avoir: ai · as · a · avons · avez · ont
  • faire: fais · fais · fait · faisons · faites · font
  • vouloir: veux · veux · veut · voulons · voulez · veulent
  • aller: vais · vas · va · allons · allez · vont

Passé composé met avoir

ai / as / a / avons / avez / ont + voltooid deelwoord

  • être → été: j'ai été
  • avoir → eu: tu as eu
  • faire → fait: nous avons fait
  • vouloir → voulu: ils ont voulu

Passé composé van aller: met être

Het voltooid deelwoord past zich aan het onderwerp aan.

  • je suis allé(e) · tu es allé(e)
  • il est allé · elle est allée
  • nous sommes allé(e)s · vous êtes allé(e)(s)
  • ils sont allés · elles sont allées

Let op Ik ben geweest = j'ai été, ik ben gegaan = je suis allé(e). Bij vertalen met onderwerp: je + klinker → j' (j'ai, j'ai été), maar je suis, je fais, je veux, je vais.

Leerlijst — Nederlands → Frans

ik ben (être)
je suis
jij bent (être)
tu es
hij / zij / men is (être)
il est / elle est / on est
wij zijn (être)
nous sommes
jullie zijn / u bent (être)
vous êtes
zij zijn (être)
ils sont / elles sont
ik heb (avoir)
j'ai
jij hebt (avoir)
tu as
hij / zij / men heeft (avoir)
il a / elle a / on a
wij hebben (avoir)
nous avons
jullie hebben / u heeft (avoir)
vous avez
zij hebben (avoir)
ils ont / elles ont
ik doe / maak (faire)
je fais
jij doet / maakt (faire)
tu fais
hij / zij / men doet / maakt (faire)
il fait / elle fait / on fait
wij doen / maken (faire)
nous faisons
jullie doen / maken (faire)
vous faites
zij doen / maken (faire)
ils font / elles font
ik wil (vouloir)
je veux
jij wilt (vouloir)
tu veux
hij / zij / men wil (vouloir)
il veut / elle veut / on veut
wij willen (vouloir)
nous voulons
jullie willen (vouloir)
vous voulez
zij willen (vouloir)
ils veulent / elles veulent
ik ga (aller)
je vais
jij gaat (aller)
tu vas
hij / zij / men gaat (aller)
il va / elle va / on va
wij gaan (aller)
nous allons
jullie gaan (aller)
vous allez
zij gaan (aller)
ils vont / elles vont
ik ben geweest (être)
j'ai été
jij bent geweest (être)
tu as été
hij / zij / men is geweest (être)
il a été / elle a été / on a été
wij zijn geweest (être)
nous avons été
jullie zijn geweest / u bent geweest (être)
vous avez été
zij zijn geweest (être)
ils ont été / elles ont été
ik heb gehad (avoir)
j'ai eu
jij hebt gehad (avoir)
tu as eu
hij / zij / men heeft gehad (avoir)
il a eu / elle a eu / on a eu
wij hebben gehad (avoir)
nous avons eu
jullie hebben gehad (avoir)
vous avez eu
zij hebben gehad (avoir)
ils ont eu / elles ont eu
ik heb gedaan / gemaakt (faire)
j'ai fait
jij hebt gedaan / gemaakt (faire)
tu as fait
hij / zij / men heeft gedaan / gemaakt (faire)
il a fait / elle a fait / on a fait
wij hebben gedaan / gemaakt (faire)
nous avons fait
jullie hebben gedaan / gemaakt (faire)
vous avez fait
zij hebben gedaan / gemaakt (faire)
ils ont fait / elles ont fait
ik heb gewild (vouloir)
j'ai voulu
jij hebt gewild (vouloir)
tu as voulu
hij / zij / men heeft gewild (vouloir)
il a voulu / elle a voulu / on a voulu
wij hebben gewild (vouloir)
nous avons voulu
jullie hebben gewild (vouloir)
vous avez voulu
zij hebben gewild (vouloir)
ils ont voulu / elles ont voulu
ik ben gegaan (aller)
je suis allé(e) / je suis allé / je suis allée
jij bent gegaan (aller)
tu es allé(e) / tu es allé / tu es allée
hij is gegaan (aller)
il est allé
zij is gegaan (aller)
elle est allée
wij zijn gegaan (aller)
nous sommes allé(e)s / nous sommes allés / nous sommes allées
jullie zijn gegaan (aller)
vous êtes allé(e)(s) / vous êtes allé / vous êtes allée / vous êtes allés / vous êtes allées
zij zijn gegaan (mannelijk) (aller)
ils sont allés
zij zijn gegaan (vrouwelijk) (aller)
elles sont allées

Zo leer je Dek de Franse kant af en overhoor jezelf. Ga daarna oefenen en herhaal de woorden die fout gingen — let op de spelling.