← Inhoudsopgave

Regelmatige werkwoorden (-er, -re) · uitleg

Werkwoorden op -er — passé composé

  1. 1Uitleg
  2. 2Oefenen
  3. 3Toets

De passé composé is de voltooid tegenwoordige tijd: ik heb gekeken. Hij bestaat uit twee delen: een vorm van avoir (hebben) in de présent en het voltooid deelwoord (participe passé). Bij werkwoorden op -er maak je het voltooid deelwoord door -er te vervangen door -é.

Het hulpwerkwoord verandert per onderwerp (ai, as, a, avons, avez, ont); het voltooid deelwoord blijft hetzelfde.

Vorm présent van avoir + participe passé op -é — j'ai regardé, nous avons regardé

Het rijtje

  • j'ai regardé — ik heb gekeken
  • tu as regardé — jij hebt gekeken
  • il / elle / on a regardé — hij / zij / men heeft gekeken
  • nous avons regardé — wij hebben gekeken
  • vous avez regardé — jullie hebben / u heeft gekeken
  • ils / elles ont regardé — zij hebben gekeken

Participe passé: -er → -é

Het klinkt hetzelfde als -er, maar je schrijft -é.

  • parler → parlé
  • travailler → travaillé
  • écouter → écouté

Altijd j'ai

Avoir begint met een klinker, dus in de passé composé is het altijd j'ai — ook bij parler.

  • j'ai parlé
  • j'ai chanté
  • j'ai habité

Let op Schrijf nooit j'ai regarder: na avoir komt het voltooid deelwoord op -é. Een paar -er-werkwoorden (aller, arriver, rester, tomber, entrer…) hebben être als hulpwerkwoord — die leer je apart.