De passé composé is de voltooid tegenwoordige tijd: ik heb gekeken. Hij bestaat uit twee delen: een vorm van avoir (hebben) in de présent en het voltooid deelwoord (participe passé). Bij werkwoorden op -er maak je het voltooid deelwoord door -er te vervangen door -é.
Het hulpwerkwoord verandert per onderwerp (ai, as, a, avons, avez, ont); het voltooid deelwoord blijft hetzelfde.
Het rijtje
- j'ai regardé — ik heb gekeken
- tu as regardé — jij hebt gekeken
- il / elle / on a regardé — hij / zij / men heeft gekeken
- nous avons regardé — wij hebben gekeken
- vous avez regardé — jullie hebben / u heeft gekeken
- ils / elles ont regardé — zij hebben gekeken
Participe passé: -er → -é
Het klinkt hetzelfde als -er, maar je schrijft -é.
- parler → parlé
- travailler → travaillé
- écouter → écouté
Altijd j'ai
Avoir begint met een klinker, dus in de passé composé is het altijd j'ai — ook bij parler.
- j'ai parlé
- j'ai chanté
- j'ai habité
Let op Schrijf nooit j'ai regarder: na avoir komt het voltooid deelwoord op -é. Een paar -er-werkwoorden (aller, arriver, rester, tomber, entrer…) hebben être als hulpwerkwoord — die leer je apart.